Orde: Passeriformes
Vinken Familie: Fringillidae


Vinken zijn kleine, vaak in groepen voorkomende zangvogels, met een dikke zaadetersnavel en een karakteristieke golvende vlucht.

Het zijn vaak betere zangers dan gorzen.

In de broedtijd vertoeven ze in biotopen met bomen en struiken, waarin wordt genesteld.

         
   
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)

Carduelis-soorten

Dit zijn kleine, in groepen levende vinken met een kleine dikke zaadetersnavel, een iets gevorkte staart, rode of roze plekken in het verenkleed (Barmsijzen, Frater, Kneu) of gele vleugelstrepen (Sijs, Putter, Groenling) en een diep golvende vlucht. Soms hebben ze een acrobatische foerageertechniek.

         
 
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)

Goudvinken, Dikbekken, Appelvink

       
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)

Woestijnvinken - Rhodospiza, Bucanetes, Rhodopechys

Er zijn vier soorten met een relatief korte, stevige snavel, vooral voorkomend in droge open gebieden, vaak in bergen.

     
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)

Roodmussen - Carpodacus

Roodmussen zijn een vooral in Azië verspreid genus van middelgrote tot grote vinken. De mannetjes zijn voornamelijk rood of roze, de vrouwtjes bruin en meer gestreept. De staart is ingesneden.
Bij alle roodmussen kunnen jonge, op vrouwtjes lijkende mannetjes zonder rood ook al zingen en in dit kleed broeden.

Ze hebben een golvende vlucht.

         
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)

Kruisbekken - Loxia

Dit zijn grote vinken met, uniek onder vogels, gekruiste snavelhelften. De staart is ingesneden.

Ze zijn sterk gebonden aan naaldbomen en foerageren vrijwel uitsluitend op kegels van naaldbomen. Met een typische beweging van de kop en snavel peuteren ze behendig zaden uit kegels.

Ze vertonen periodieke westwaartse invasies, waarna ze vaak tijdelijk daar broeden.

     
(klik op het plaatje om naar de soort te gaan)