Rotskruiper

(tichodroma muraria)

  L=16,5 / SW=27-32 / Z

De Rotskruiper is de enige soort in zijn familie. Ondanks de gebogen snavel is hij nauwer verwant met de boomklevers dan met de boomkruipers.

Hij is onmiskenbaar, met grijze bovendelen, zwarte vleugels met karmijnrode vlekken en witte ronde stippen op de handpennen met witte toppen en grijze onderdelen. De mannetjes hebben een grote zwarte keelvlek, de vrouwtjes hebben minder of geen zwart. In de winter is de keel van beide en van onvolwassenen wit.

Zijn zang is een herhaling van in hoogte toenemende fluittonen, vaak tijdens het klimmen.

Hij leeft op steile rotshellingen en in ravijnen, in bergen tot aan de sneeuwlijn. In de winter is hij lager in de dalen, in steengoeven en op gebouwen. Buiten de normale verspreidingsgebieden is hij zeldzaam, ook in Nederland en België.